De geschiedenis van het Joodse Studentenhuis in Delft

In de serie Joodse studentenhuizen gaan we op bezoek bij de Joodse studentenhuizen door heel het land. Delft was de eerste stad die we aandeden. Maar hoe zit het eigenlijk met de geschiedenis van dat studentenhuis?

Op 12 december 1957 was het zo ver, het Joodse studentenhuis in Delft aan de Koornmarkt 9 werd geopend. Het was groot feest, want het studentenhuis was allerminst een vanzelfsprekendheid. De oprichting had veel voeten in de aarde gehad en velen in Joods Nederland hadden zich ervoor ingezet. De totstandkoming van het tehuis laat twee typerende aspecten zien van de wederopbouw en vernieuwing van de Joodse gemeenschap na de Tweede Wereldoorlog. Het aantal Joodse studenten in Delft was altijd bescheiden geweest. De ingenieursopleidingen, uiteenlopend van waterbouw tot bouwkunde, trokken vooral jongeren uit milieus waar een zekere traditie bestond in omgang met techniek. Joodse studenten kozen tot aan de oorlog overwegend voor de rijksuniversiteiten, waarbij de medicijnen- en rechtenfaculteit bijzonder goed scoorden. Het betekent niet dat er helemaal geen Joodse traditie was aan de ingenieursopleiding in Delft. Al direct bij de stichting in 1842, toen het instituut nog met een mond vol Koninklijke Academie ter Opleiding van Burgerlijke Ingenieurs heette, werd een Joodse docent benoemd, de wiskundige en statisticus Rehuel Lobatto. Hij maakte naam met tal van wetenschappelijke studies en schoolboeken die destijds volop werden gebruikt.

Rehuel Lobatto

Zionistische ingenieurs

De benoeming van Lobatto had niet tot een toestroom van Joodse studenten geleid. Die kwam er echter wel – zij het bescheiden – na de Tweede Wereldoorlog. Het zionisme was duidelijk populair geworden onder Nederlandse Joden. Ook in de studentenwereld was dat te merken. Aanvankelijk hadden Joodse studenten na 1945 ‘neutrale’ Joodse studenten-contactgroepen opgericht, met als doel iedereen te bereiken. Het ene na het andere contact zette zichzelf, ondanks kritiek van een kleine minderheid, om in een afdeling van de sinds 1948 weer fungerende landelijke Nederlandse Zionistische Studentenorganisatie (NZSO). Ook in Delft kwam een afdeling. Die werd mede mogelijk gemaakt omdat studie in Delft voortaan stevig gestimuleerd werd. Het idee was dat Joodse jongeren in Nederland opgevoed en opgeleid moesten worden met het oog op een toekomst in Israël. Daartoe organiseerden de Joodse jeugdbewegingen standaard een Israëlreis voor scholieren, om een spoedige alijah na het schoolexamen te bevorderen. Wie om wat voor reden dan ook toch nog in Nederland wilde blijven, kreeg vervolgens advies om dan tenminste een studie te kiezen waar de Israëlische samenleving later mee geholpen zou zijn. Jaarlijks publiceerde de Nederlandse Zionistenbond een lijstje met ‘goedgekeurde’ studies, waarop vooral Delft en Wageningen prijkten. In Israël was een schreeuwende behoefte aan goed opgeleide ingenieurs én landbouwdeskundigen. Medicijnen studeren mocht ook nog – maar studies als Frans, klassieke talen en Nederlands Recht werden sterk afgeraden. Die waren volstrekt nutteloos voor een Joodse jongere die naar Israël zou moeten emigreren.

Amerikaanse inspiratie

Na de oorlog werden de Verenigde Staten op veel terreinen een inspirerend voorbeeld. In de jeugdcultuur, muziek, de populariteit van de Engelse taal, maar ook in de organisatie van de wetenschap, uitte zich dat. Ook in Joods Nederland werd voortdurend naar Amerikaanse voorbeelden gekeken. Het dynamische, vitale Joodse leven aan de andere zijde van de oceaan werd gezien als een bron waaruit geput kon worden bij de vernieuwing van het Joodse leven. Uiteraard náást Israël, maar voor het leven in een niet-Joodse context verschafte de Amerikaanse Joodse gemeenschap nu eenmaal een gemakkelijker voorbeeld. Het initiatief voor een Joods studentenhuis, en huisvesting, kwam uit de kring van B’nai B’rith, een Joodse serviceorganisatie met wortels in de VS. In Den Haag was de loge ‘Hollandia’ te vinden, die zich graag in wilde zetten voor de studenten in Delft. In het internationale netwerk van B’nai B’rith werden allerlei ideeën opgedaan om dat succesvol te doen. In de VS had de serviceorganisatie groot succes met het steunen van Hillel Houses op universiteitscampussen. Dat waren clubhuizen waar studenten vaak ook woonden en waar culturele en religieuze activiteiten plaats konden vinden. Zo’n “Hillel Huis” moest Delft ook krijgen.

“Een shul mit a pool in de Amerikaanse buitenwijken.”

De financiering van dit nieuwe, Amerikaanse idee was nog niet zo gemakkelijk. B’nai B’rith probeerde het zelf, maar haalde niet genoeg op en vroeg het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap om bij te springen. Die tastte royaal in de buidel en daardoor werd het plan werkelijkheid. De naamgeving voor het nieuwe studentenhuis was wat verwarrend. Sommigen spraken, in navolging van Amerika, over het ‘Hillel Huis’, anderen noemden het een Joods Cultureel Centrum. Ook die benaming was uit Amerika over komen waaien: een JCC was het Amerikaans-Joodse antwoord op de suburbanisering. In de groene buitenwijken van de steden ontstonden JCC’s die, zoals in Yinglish (Jiddisch Engels) werd gezegd, een shul mit a pool waren. Een synagoge mét culturele voorzieningen, inclusief een zwembad. De naam die echter het meest gebruikt werd, was rechttoe-rechtaan: Beth Stoedentiem. Die Hebreeuwse naam wees natuurlijk weer op de groeiende invloed van Israël. Veel studenten studeerden immers vanuit zionistische motivatie in Delft.

Lokale gemeenschap

De komst van de Joodse studenten betekende uiteraard veel voor de kleine gemeenschap van overlevenden in Delft. Die Joden zagen het Beth Stoedentiem als een reddingsboei: Nu zou het Joodse leven weer gaan bloeien. Nu konden er eindelijk weer regelmatige synagogediensten gehouden worden. Het was echter nog maar afwachten of de studenten de lokale verwachtingen waar zouden maken. Ontroerend was het echter wel dat tijdens de openingsplechtigheid de voorzitter van de Joodse gemeente, M. Cohen, aan het studentenhuis een vlag overhandigde van de Jewish Brigade. Deze Joodse afdeling in het Britse leger was na de bevrijding in Delft gestationeerd en had deze vlag aan de gemeente gegeven om als parochet (voorhangsel) te dienen voor de Heilige Ark in de synagoge. Nu mochten de studenten met trots deze vlag als mascotte koesteren. De inwijding van het Delftse studentenhuis met Chanoeka 1957 betekende de start van een groeiende aandacht onder Nederlandse Joden voor studenten. Voortdurend werd daarbij voor inspiratie naar het buitenland gekeken. Vanuit Delft verspreidde het concept van Joodse studentenhuizen zich, en uiteindelijk kwam er zelfs een studentenrabbijn. Misschien kan de opleving van het Joodse studentenleven na de oorlog wel het kleine Chanoeka wonder van Nederland genoemd worden.

Dit artikel verscheen eerder in de Benjamin, hét kwartaalblad over Joods leven. Wil je ook gratis de Benjamin ontvangen?

Abonneer je nu!

Close
Chat